Hoe bereken je de eerste term van een meetkundige rij als je weet dat t6+t7=240 en t9+t10=1300?
Uitwerking
\(
\eqalign{
& \left\{ \matrix{
ar^5 + ar^6 = 240 \hfill \cr
ar^8 + ar^9 = 1300 \hfill \cr} \right. \cr
& {{ar^8 + ar^9 } \over {ar^5 + ar^6 }} = {{1300} \over {240}} \cr
& {{ar^8 \left( {1 + r} \right)} \over {ar^5 \left( {1 + r} \right)}} = {{65} \over {12}} \cr
& r^3 = {{65} \over {12}} \cr
& r = {1 \over 6}\root 3 \of {1170} \cr
& a \cdot \left( {{1 \over 6}\root 3 \of {1170} } \right)^5 + a \cdot \left( {{1 \over 6}\root 3 \of {1170} } \right)^6 = 240 \cr
& a\left( {\left( {{1 \over 6}\root 3 \of {1170} } \right)^5 + \left( {{1 \over 6}\root 3 \of {1170} } \right)^6 } \right) = 240 \cr
& a = {{240} \over {\left( {{1 \over 6}\root 3 \of {1170} } \right)^5 + \left( {{1 \over 6}\root 3 \of {1170} } \right)^6 }} \cr
& a = {{240} \over {{{65\root 3 \of {50700} } \over {144}} + {{4225} \over {144}}}} \cr
& a = {{34560} \over {65\root 3 \of {50700} + 4225}} \cr
& a = {{6912} \over {13\root 3 \of {50700} + 845}} \cr
& a = {{6912} \over {13\root 3 \of {50700} + 845}} \cdot {{\root 3 \of {65} } \over {\root 3 \of {65} }} \cr
& a = {{6912\root 3 \of {65} } \over {845\root 3 \of {12} + 845\root 3 \of {65} }} \cr
& a = {{6912\root 3 \of {65} } \over {845\left( {\root 3 \of {65} + \root 3 \of {12} } \right)}} \cr}
\)
zondag 17 mei 2020
donderdag 14 mei 2020
Een assenvergelijking van het vlak V
- Wat is de vergelijking voor vlak V met de punten E, P en Q?
\( \eqalign{ & V:(8,0,0),(0,4,0)\,\,\,en\,\,\,(0,0, - 8) \cr & V:\frac{x} {8} + \frac{y} {4} + \frac{z} {{ - 8}} = 1 \cr & V:x + 2y - z = 8 \cr} \)
zaterdag 25 april 2020
Snijlijn van twee vlakken
In een rechthoekig assenstelsel OXYZ zijn gegeven de punten A(4,0,0), B(4,8,0), C (0,8,0) en T (0,0,8). Op AB ligt punt D(4,6,0).
\( \begin{array}{l} TDO:\lambda \left( {\begin{array}{*{20}c} 2 \\ 3 \\ 0 \\ \end{array}} \right) + \mu \left( {\begin{array}{*{20}c} 0 \\ 0 \\ 1 \\ \end{array}} \right) \\ ACT:\left( {\begin{array}{*{20}c} 4 \\ 0 \\ 0 \\ \end{array}} \right) + \rho \left( {\begin{array}{*{20}c} { - 1} \\ 2 \\ 0 \\ \end{array}} \right) + \tau \left( {\begin{array}{*{20}c} { - 1} \\ 0 \\ 2 \\ \end{array}} \right) \\ \left\{ \begin{array}{l} 2\lambda = 4 - \rho - \tau \\ 3\lambda = 2\rho \\ \mu = 2\tau \\ \end{array} \right. \\ \left\{ \begin{array}{l} 4\lambda = 8 - 2\rho - 2\tau \\ 3\lambda = 2\rho \\ \mu = 2\tau \\ \end{array} \right. \\ \left\{ \begin{array}{l} 4\lambda = 8 - 3\lambda - \mu \\ 3\lambda = 2\rho \\ \mu = 2\tau \\ \end{array} \right. \\ \mu = - 7\lambda + 8 \\ l:\lambda \left( {\begin{array}{*{20}c} 2 \\ 3 \\ 0 \\ \end{array}} \right) + \left( { - 7\lambda + 8} \right)\left( {\begin{array}{*{20}c} 0 \\ 0 \\ 1 \\ \end{array}} \right) \\ l:\lambda \left( {\begin{array}{*{20}c} 2 \\ 3 \\ 0 \\ \end{array}} \right) + - 7\lambda \cdot \left( {\begin{array}{*{20}c} 0 \\ 0 \\ 1 \\ \end{array}} \right) + 8 \cdot \left( {\begin{array}{*{20}c} 0 \\ 0 \\ 1 \\ \end{array}} \right) \\ l:\left( {\begin{array}{*{20}c} 0 \\ 0 \\ 8 \\ \end{array}} \right) + \lambda \left( {\begin{array}{*{20}c} 2 \\ 3 \\ { - 7} \\ \end{array}} \right) \\ \end{array} \)
- Bepaal een vectorvoorstelling van de snijlijn van vlak TDO en vlak ACT.
\( \begin{array}{l} TDO:\lambda \left( {\begin{array}{*{20}c} 2 \\ 3 \\ 0 \\ \end{array}} \right) + \mu \left( {\begin{array}{*{20}c} 0 \\ 0 \\ 1 \\ \end{array}} \right) \\ ACT:\left( {\begin{array}{*{20}c} 4 \\ 0 \\ 0 \\ \end{array}} \right) + \rho \left( {\begin{array}{*{20}c} { - 1} \\ 2 \\ 0 \\ \end{array}} \right) + \tau \left( {\begin{array}{*{20}c} { - 1} \\ 0 \\ 2 \\ \end{array}} \right) \\ \left\{ \begin{array}{l} 2\lambda = 4 - \rho - \tau \\ 3\lambda = 2\rho \\ \mu = 2\tau \\ \end{array} \right. \\ \left\{ \begin{array}{l} 4\lambda = 8 - 2\rho - 2\tau \\ 3\lambda = 2\rho \\ \mu = 2\tau \\ \end{array} \right. \\ \left\{ \begin{array}{l} 4\lambda = 8 - 3\lambda - \mu \\ 3\lambda = 2\rho \\ \mu = 2\tau \\ \end{array} \right. \\ \mu = - 7\lambda + 8 \\ l:\lambda \left( {\begin{array}{*{20}c} 2 \\ 3 \\ 0 \\ \end{array}} \right) + \left( { - 7\lambda + 8} \right)\left( {\begin{array}{*{20}c} 0 \\ 0 \\ 1 \\ \end{array}} \right) \\ l:\lambda \left( {\begin{array}{*{20}c} 2 \\ 3 \\ 0 \\ \end{array}} \right) + - 7\lambda \cdot \left( {\begin{array}{*{20}c} 0 \\ 0 \\ 1 \\ \end{array}} \right) + 8 \cdot \left( {\begin{array}{*{20}c} 0 \\ 0 \\ 1 \\ \end{array}} \right) \\ l:\left( {\begin{array}{*{20}c} 0 \\ 0 \\ 8 \\ \end{array}} \right) + \lambda \left( {\begin{array}{*{20}c} 2 \\ 3 \\ { - 7} \\ \end{array}} \right) \\ \end{array} \)
Geneste wortel
\(
\begin{array}{l}
\sqrt {2 - \sqrt 3 } = \sqrt a - \sqrt b \\
2 - \sqrt 3 = a - 2\sqrt {ab} + b \\
\left\{ \begin{array}{l}
a + b = 2 \\
2\sqrt {ab} = \sqrt 3 \\
\end{array} \right. \\
\left\{ \begin{array}{l}
a + b = 2 \\
4ab = 3 \\
\end{array} \right. \\
\left\{ \begin{array}{l}
a = 1\frac{1}{2} \\
b = \frac{1}{2} \\
\end{array} \right. \\
\sqrt {2 - \sqrt 3 } = \sqrt {1\frac{1}{2}} - \sqrt {\frac{1}{2}} \\
\sqrt {2 - \sqrt 3 } = \frac{1}{2}\sqrt 6 - \frac{1}{2}\sqrt 2 \\
\end{array}
\)
donderdag 23 april 2020
maandag 20 april 2020
Vraag 10
Een fabrikant van pralines verpakt reeds jaren zijn leveringen aan
grootwarenhuizen in dozen met een vierkante grondoppervlakte (zijde is 8
cm) en een hoogte van 21 cm. Hij zou graag de inhoud van zijn dozen
vergroten maar wil niet meer betalen aan karton voor zijn dozen.
Eerst maar 's een tekening:

- Wat zijn de afmetingen van de zijden van het grondvlak en de hoogte waarbij de inhoud maximaal wordt?
Eerst maar 's een tekening:

- De totale oppervlakte bestaat uit 4 zijvlakken van 8x21, een grondvlak van 82 en een bovenvlak van 82. Meer in 't algemeen: je hebt 4 zijvlakken van
hx , een grondvlak vanx2 en een bovenvlak vanx2 . Optellen en je hebt je formule voor de oppervlakteO . Invullen vanx=8 enh=21 zal dan wel lukken. - Als je een formuie hebt met
O=...·xh+...·x2 en je weet datO de oppervlakte van het pak is alsx=8 enh=21 dan kan je de formule herschrijven waarbij jeh uitdrukt inx . - De inhoud van de balk is gelijk aan
I=x2·h . Vul voorh de formule in die je bij b. gevonden hebt. Je krijgt dan een formule voor de inhoudI uitgedrukt inx . - Bepaal de afgeleide van de functie die je bij c. gevonden hebt.
- Stel de afgeleide nul, los op en je hebt mogelijke kandidaten voor
x waarbij je grootste inhoud hebt. - Als je de waarde van
x gevonden hebt dan kan je de bijbehorende waarde vanh uitrekenen. Wat valt je op?
donderdag 16 april 2020
Twee voorbeelden van eenvoudige vlakvullingen
Eén eenvoudige manier om een vlakvulling te maken is uitgaan van
(bijvoorbeeld) een gelijkzijdige driehoek en te zorgen dat je tekening
aansluit... dus A en A', B en B' en C aan C'.

Dat geeft dan als vlakvulling:

Vierkant
Dat kan uit als je uitgaat van een vierkant:

Dat geeft dan:

Dat is dan toch wel aardig toch?

Dat geeft dan als vlakvulling:

Vierkant
Dat kan uit als je uitgaat van een vierkant:

Dat geeft dan:

Dat is dan toch wel aardig toch?
woensdag 15 april 2020
Veelhoeken en middens van zijden - deel 2
Je kunt bij een gegeven aantal oneven middens een n-hoek tekenen. Dat
lukt altijd. Bij een willekeurig startpunt kan je het 'beoogde startpunt'
vinden op het midden van start- en eindpunt.

Eigenlijk had D''' op D uit moeten komen. Om het te laten kloppen moet je D kiezen op het midden van DD''':

Dus kies D op E.

Mission accomplised.
Je kunt overigens bij gegeven middens het startpunt ook berekenen: Dit doe je door het om en om optellen en aftrekken van de coördinaten van de middens te nemen.
x:=2-5+3=0
y:=1-3+4=2
Neem D(0,2).
Dat werkt bij oneven aantallen. Voor even aantallen gelden weer andere dingen.

Eigenlijk had D''' op D uit moeten komen. Om het te laten kloppen moet je D kiezen op het midden van DD''':

Dus kies D op E.

Mission accomplised.
Je kunt overigens bij gegeven middens het startpunt ook berekenen: Dit doe je door het om en om optellen en aftrekken van de coördinaten van de middens te nemen.
x:=2-5+3=0
y:=1-3+4=2
Neem D(0,2).
Dat werkt bij oneven aantallen. Voor even aantallen gelden weer andere dingen.
Veelhoeken en middens van zijden
Neem 's aan dat je bij een gegeven n punten een n- hoek moet tekenen waarvan die punten de middens zijn van de zijden. Dus (bijvoorbeeld) zoiets als:

Je kunt er dan achter komen dat dit met 4 willekeurige punten (of elk even aantal) niet altijd gaat lukken. Na 3 punten ligt het 4e punt in feite al vast.

Het 4e midden moet op de zijde in het midden van DD''' liggen. Daarmee krijg je een vierhoek die klopt.

Nu kun je puntD verplaatsen en kan je voor D elke willekeurig lokatie kiezen.

Voor onevenn geldt dat niet. Daar is ook van alles te beleven...

Je kunt er dan achter komen dat dit met 4 willekeurige punten (of elk even aantal) niet altijd gaat lukken. Na 3 punten ligt het 4e punt in feite al vast.

Het 4e midden moet op de zijde in het midden van DD''' liggen. Daarmee krijg je een vierhoek die klopt.

Nu kun je punt

Voor oneven
Verschillende soorten symmetrie
Draaisymmetrie
|
Puntsymmetrie
|
Schuifsymmetrie
|
![]() |
||
Draaisymmetrie, maar dan moet je niet op kleur letten.
|
Puntsymmetrie als je niet op de kleur let.
|
Je kunt de figuren naar rechts (of naar links) verschuiven.
|
Lijnsymmetrie
|
Puntsymmetrie
|
Draaisymmetrie
|
De rode lijn geeft aan dat de figuren lijnsymmetrisch zijn.
|
De katten zijn puntsymmetrisch t.o.v. de groene punt.
|
De groen punt is het centrum van draaiing over 120°. Er zijn natuurlijk nog veel meer punten te vinden.
|
Abonneren op:
Posts (Atom)

